Vroeger
was ik
verlegen. Ik was geen haantje de voorste. Dat waren andere kinderen in de klas,
ik werd ook nooit gekozen tot klassevertegenwoordiger. Bij de gymnastiekles
werd ik weliswaar niet als laatste gekozen, dat was het lot van andere
kinderen, maar zeker ook niet als eerste. Bij de Kabouters wilde ik niet, ik
hield niet van groepen, en niet van in uniform lopen en de belofte moeten
afleggen:
Ik beloof mijn
best te doen
(met de hulp
van God)
een goede
Kabouter te zijn,
iedereen te
helpen waar ik kan
en me te houden
aan de Kabouter-wet..
Jullie kunnen
op me rekenen.
Vroeger
was ik vaak oostindisch doof. Tantes van mij hebben er herhaaldelijk bij mijn
moeder op aangedrongen om met mij naar de oorarts te gaan omdat ze zeker wisten
dat ik doof was...
Alleen
bij vlagen
was ik ineens ‘aanwezig’. Met een opmerking of met ‘ongewild’ gedrag.
In de
derde klas van de lagere school zei een meisje – ik zat op een katholieke
basisschool voor meisjes, Regina Pacis- ‘watte’, het Limburgs voor ‘wat’,
waarop ik me snel omdraaide en uitkraamde: 'watten koop je bij de drogist'. Ik
kon meteen de klas uit.
Op het Stedelijk Lyceum in Maastricht
had ik een erg slechte verhouding met mijn lerares Grieks,
mejuffrouw (!) Waardenburg. Ze vertrouwde me voor geen cent dus moest ik helemaal
vooraan komen zitten, vlak onder haar –hoge- lessenaar. Dat kwam mij prima uit, want nu kon
ze niet zien wat ik uitspookte op[ mijn lessenaar tenzij ze opstond van haar
stoel. Dat gaf mij de uitgelezen mogelijkheid achterin mijn Herodotus een
woordenboekje te leggen. Ik had speciaal een heel oud exemplaar uitgekozen van
Herodotus en ook een oud verfomfaaid exemplaar van het woordenboekje dat bij de
vertaling van Herodotus hoorde , beide in omvang even groot. Thuis lagen er
namelijk vele versies in de boekenkast van mijn vader, classicus en ook mijn
leraar Latijn – bij hem haalde ik negens, bij juffrouw Waardenburg
zesjes....niet omdat ik werd voorgetrokken door mijn vader, integendeel, maar
omdat hij een geweldig goede leraar was die met veel humor zijn leerlingen
wegwijs maakte in de klassieke talen – we zongen ‘ego sum pauper, nihil habeo
et nihil dabo’. ‘Omdat we toffe jongens zijn, dat zullen we weten...’ zong de
hele klas in het Latijn met hem samen: ....et quod fortes pueri sunt, volemus
scire....et ubique, ubi puellae sunt ubi puellae sunt, et ubique, ubique, ubi
puellae sunt ballum est. Na si, nisi, num of ne gaat ali niet met quisje mee. En
hij lardeerde veel literatuur, van Vergilius tot Seneca, met smeuïge verhalen
over de antieke tijd.
Terug
naar Mejuffrouw Waardenburg. Omdat ik vlak onder haar anderhalve meter hoge
lessenaar zat kon ik naar believen woordjes opzoeken en dan snel weer het boek
terugslaan naar de te vertalen pagina. Ze had me enigszins door dus stond ze
herhaaldelijk op om over de rand van haar lessenaar te gluren. Die actie van
haar duurde lang genoeg voor mij om snel van het woordenboek te switchen naar
de vertaling.
Herhaalde
malen ben ik bij haar uit de klas gestuurd, niet omdat ik vreselijke dingen deed
maar omdat ik haar corrigeerde...en dat kan natuurlijk helemaal niet. Ik was in
haar ogen veel te bijdehand en brutaal. Iedere keer als ik bij haar eruit werd
gestuurd meldde ik me even bij mijn vader. Die gaf namelijk in de klas naast
die van haar les. De klaslokalen hadden aan de gangkant hele grote ramen en het
was dus slechts een kwestie van zijn aandacht trekken en dan kwam hij even naar
buiten, naar de gang toe. Hij had ook niet bepaald een warme band met haar –
waarschijnlijk maakte zij mede daarom mij het leven zuur- en hij maakte er
nooit een punt van dat ik weer de klas uit moest.
Ik
weet nog dat zij me een keer linea recta naar de rector stuurde. Omdat ik weer
haar vertaling corrigeerde...met mijn vader bekeek ik de dag tevoren al de
vertaling en daarom wist ik dat ze fout zat. Het was vriendelijk bedoeld, ik
wees haar er alleen maar op dat er iets anders stond dan zij veronderstelde.
Bij de rector deed ik – huilend - mijn verhaal, en kreeg vervolgens van hem de
opdracht dat ik mijn excuses aan haar moest aanbieden. Dat ík aan háár mijn
excuses moest aanbieden, dat strookte niet met mijn rechtvaardigheidsgevoel dus
was het zaak hier een tactische oplossing voor te bedenken. Ik peinsde er namelijk
niet over om me te gaan verontschuldigen voor gedrag waar in mijn ogen niks mis
mee was. Zoals zo vaak, als je intentie duidelijk is – onder geen beding ga ik
door het stof- dan doet de intuïtie de
rest. Ik loop naar haar toe maar zeg niets. Zij begint uit zichzelf: 'oh, je
komt je excuses aanbieden?'. En ik geef haar een weigerachtig slap handje
als antwoord, zonder haar aan te kijken.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten