donderdag 5 april 2012

Lukrake jeugdfragmenten


Vroeger 
was ik verlegen. Ik was geen haantje de voorste. Dat waren andere kinderen in de klas, ik werd ook nooit gekozen tot klassevertegenwoordiger. Bij de gymnastiekles werd ik weliswaar niet als laatste gekozen, dat was het lot van andere kinderen, maar zeker ook niet als eerste. Bij de Kabouters wilde ik niet, ik hield niet van groepen, en niet van in uniform lopen en de belofte moeten afleggen:
Ik beloof mijn best te doen
(met de hulp van God)
een goede Kabouter te zijn,
iedereen te helpen waar ik kan
en me te houden aan de Kabouter-wet..
Jullie kunnen op me rekenen.

Vroeger 
was ik vaak oostindisch doof. Tantes van mij hebben er herhaaldelijk bij mijn moeder op aangedrongen om met mij naar de oorarts te gaan omdat ze zeker wisten dat ik doof was...

Alleen bij vlagen 
was ik ineens ‘aanwezig’. Met een opmerking of met  ‘ongewild’ gedrag.
In de derde klas van de lagere school zei een meisje – ik zat op een katholieke basisschool voor meisjes, Regina Pacis- ‘watte’, het Limburgs voor ‘wat’, waarop ik me snel omdraaide en uitkraamde: 'watten koop je bij de drogist'. Ik kon meteen de klas uit.

Op het Stedelijk Lyceum in Maastricht
had ik een erg slechte verhouding met mijn lerares Grieks, mejuffrouw (!) Waardenburg. Ze vertrouwde me voor geen cent dus moest ik helemaal vooraan komen zitten, vlak onder haar –hoge- lessenaar. Dat kwam mij prima uit, want nu kon ze niet zien wat ik uitspookte op[ mijn lessenaar tenzij ze opstond van haar stoel. Dat gaf mij de uitgelezen mogelijkheid achterin mijn Herodotus een woordenboekje te leggen. Ik had speciaal een heel oud exemplaar uitgekozen van Herodotus en ook een oud verfomfaaid exemplaar van het woordenboekje dat bij de vertaling van Herodotus hoorde , beide in omvang even groot. Thuis lagen er namelijk vele versies in de boekenkast van mijn vader, classicus en ook mijn leraar Latijn – bij hem haalde ik negens, bij juffrouw Waardenburg zesjes....niet omdat ik werd voorgetrokken door mijn vader, integendeel, maar omdat hij een geweldig goede leraar was die met veel humor zijn leerlingen wegwijs maakte in de klassieke talen – we zongen ‘ego sum pauper, nihil habeo et nihil dabo’. ‘Omdat we toffe jongens zijn, dat zullen we weten...’ zong de hele klas in het Latijn met hem samen: ....et quod fortes pueri sunt, volemus scire....et ubique, ubi puellae sunt ubi puellae sunt, et ubique, ubique, ubi puellae sunt ballum est. Na si, nisi, num of ne gaat ali niet met quisje mee. En hij lardeerde veel literatuur, van Vergilius tot Seneca, met smeuïge verhalen over de antieke tijd.
Terug naar Mejuffrouw Waardenburg. Omdat ik vlak onder haar anderhalve meter hoge lessenaar zat kon ik naar believen woordjes opzoeken en dan snel weer het boek terugslaan naar de te vertalen pagina. Ze had me enigszins door dus stond ze herhaaldelijk op om over de rand van haar lessenaar te gluren. Die actie van haar duurde lang genoeg voor mij om snel van het woordenboek te switchen naar de vertaling.
Herhaalde malen ben ik bij haar uit de klas gestuurd, niet omdat ik vreselijke dingen deed maar omdat ik haar corrigeerde...en dat kan natuurlijk helemaal niet. Ik was in haar ogen veel te bijdehand en brutaal. Iedere keer als ik bij haar eruit werd gestuurd meldde ik me even bij mijn vader. Die gaf namelijk in de klas naast die van haar les. De klaslokalen hadden aan de gangkant hele grote ramen en het was dus slechts een kwestie van zijn aandacht trekken en dan kwam hij even naar buiten, naar de gang toe. Hij had ook niet bepaald een warme band met haar – waarschijnlijk maakte zij mede daarom mij het leven zuur- en hij maakte er nooit een punt van dat ik weer de klas uit moest.
Ik weet nog dat zij me een keer linea recta naar de rector stuurde. Omdat ik weer haar vertaling corrigeerde...met mijn vader bekeek ik de dag tevoren al de vertaling en daarom wist ik dat ze fout zat. Het was vriendelijk bedoeld, ik wees haar er alleen maar op dat er iets anders stond dan zij veronderstelde. Bij de rector deed ik – huilend - mijn verhaal, en kreeg vervolgens van hem de opdracht dat ik mijn excuses aan haar moest aanbieden. Dat ík aan háár mijn excuses moest aanbieden, dat strookte niet met mijn rechtvaardigheidsgevoel dus was het zaak hier een tactische oplossing voor te bedenken. Ik peinsde er namelijk niet over om me te gaan verontschuldigen voor gedrag waar in mijn ogen niks mis mee was. Zoals zo vaak, als je intentie duidelijk is – onder geen beding ga ik door het stof-  dan doet de intuïtie de rest. Ik loop naar haar toe maar zeg niets. Zij begint uit zichzelf: 'oh, je komt je excuses aanbieden?'. En ik geef haar een weigerachtig slap handje als antwoord, zonder haar aan te kijken.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten